LSR Werkruimte
RK
R. KamphuisAdmin
PSO-cursus
Zoeken...
RK

1.3 De prestatieladder

Leerdoelen

  • De cursist kan de vijf prestatieniveaus van de PSO in de juiste volgorde benoemen met de bijbehorende percentages.
  • De cursist kan uitleggen wat de Aspirant-status inhoudt en hoe deze zich onderscheidt van de treden.
  • De cursist kan toelichten dat de kwantitatieve normen gebaseerd zijn op de Werkgevers Enquête Arbeid (WEA).

De ladder als groeimodel

De PSO is ingericht als een prestatieladder: een groeimodel dat verschillende stadia van socialer ondernemen erkent en de ontwikkeling daarvan stimuleert. De ladder loopt van het voornemen om socialer te ondernemen (Aspirant-status) tot het niveau van koploper (trede 3), met daarbovenop een aparte PSO 30+ erkenning. In totaal kent de PSO vijf prestatieniveaus plus de PSO 30+ erkenning. Hieronder worden de niveaus toegelicht, van laag naar hoog.

Aspirant-status

De Aspirant-status is het instapniveau. Organisaties met deze status voldoen (nog) niet aan de kwantitatieve norm voor de Basistrede of een hoger niveau, of voldoen nog niet aan de kwalitatieve criteria, maar zijn wel voornemens deze binnen twee jaar te halen. Zij maken met de online rekentool hun huidige niveau inzichtelijk en laten dit voorlopige niveau toetsen. Daarnaast moet de organisatie een Plan van Aanpak hebben vastgesteld op directieniveau en gestart zijn met de uitvoering daarvan. Zo committeert de organisatie zich aan het doel om socialer te ondernemen. Voor een PSO-erkenning moet bovendien minimaal 20% van de norm van de beoogde trede in de eigen organisatie gerealiseerd zijn.

Basistrede: de 50% best presterende bedrijven

De Basistrede is sinds 1 april 2023 toegevoegd als extra trede tussen de Aspirant-status en trede 1. Organisaties met een Basistrede-erkenning presteren meer dan gemiddeld: er zijn meer personen uit de PSO-doelgroep werkzaam dan gemiddeld het geval is bij organisaties in dezelfde grootteklasse met minstens één werkende uit de doelgroep. Zij behoren op het gebied van sociaal ondernemen tot de 50% best presterende bedrijven in Nederland.

Trede 1: de 35% best presterende bedrijven

Organisaties met een trede 1-erkenning presteren bovengemiddeld en behoren tot de 35% best presterende bedrijven in Nederland. Vanaf de Basistrede en trede 1 geldt dat een organisatie naast de kwantitatieve prestatie ook moet voldoen aan de kwalitatieve eisen met betrekking tot passend werk, integratie, functioneren & ontwikkeling en begeleiding van de doelgroepmedewerker.

Trede 2: de 22,5% best presterende bedrijven

Organisaties met een trede 2-erkenning presteren ruim bovengemiddeld en behoren tot de 22,5% best presterende bedrijven in Nederland. Ook zij voldoen aan de genoemde kwalitatieve eisen.

Trede 3: de 10% best presterende bedrijven (koplopers)

Organisaties met een trede 3-erkenning behoren tot de koplopers: de 10% best presterende bedrijven in Nederland wat betreft de gerealiseerde werkgelegenheid voor de PSO-doelgroep. Trede 3 is het hoogste reguliere niveau op de ladder en vormt tevens de basis voor de aparte PSO 30+ erkenning.

Gebaseerd op de Werkgevers Enquête Arbeid (WEA)

De kwantitatieve normen voor de Basistrede en de treden 1, 2 en 3 zijn niet willekeurig gekozen, maar gebaseerd op landelijke cijfers uit de Werkgevers Enquête Arbeid (WEA) van TNO. De WEA brengt in kaart hoeveel werkzame personen uit kwetsbare groepen er zijn ten opzichte van het totale personeelsbestand van bedrijven die onder de WEA vallen. Vanaf versie 1.4 van de handleiding zijn de normen gebaseerd op de WEA 2014. De normen zijn onderverdeeld naar bedrijfsgrootte (grootteklasse), omdat het gemiddelde aandeel doelgroepmedewerkers per bedrijfsgrootte verschilt. Vanaf versie 2.5 is een nieuwe normeringssystematiek beschikbaar waarmee ook voor bedrijven van 106 tot en met 500 medewerkers aparte normen berekend kunnen worden.

Direct en indirect tellen mee

Voor het behalen van een trede telt de totale sociale bijdrage mee: de optelsom van de directe bijdrage (eigen plaatsingen) en de indirecte bijdrage (inkoop en uitbesteding). De percentages drukken uit tot welke groep best presterende bedrijven een organisatie behoort, en zijn niet rechtstreeks te herleiden tot een vast aantal personen in een organisatie. Zo biedt de prestatieladder een eerlijk vergelijkingskader voor organisaties van uiteenlopende omvang en sector.

Kwantitatief én kwalitatief

Het is belangrijk te begrijpen dat een trede méér is dan een percentage. Voor de Basistrede en de treden 1 tot en met 3 (en voor PSO 30+) geldt dat een organisatie naast de prestaties wat betreft de omvang van de gerealiseerde plaatsingen, ook moet voldoen aan de kwalitatieve eisen. Die eisen betreffen passend werk, integratie, functioneren & ontwikkeling en het bieden van begeleiding aan de doelgroepmedewerker. Een organisatie die kwantitatief tot de 10% best presterende bedrijven behoort, maar niet aan deze kwalitatieve eisen voldoet, krijgt dus niet zonder meer trede 3. Voor de Aspirant-status gelden afwijkende kwalitatieve eisen, gericht op het Plan van Aanpak en de uitvoering daarvan.

Stijgen en dalen op de ladder

De prestatieladder is een dynamisch instrument. Een organisatie kan in de loop van de tijd stijgen, bijvoorbeeld van de Basistrede naar trede 1, naarmate zij meer werkgelegenheid voor de doelgroep realiseert. Omgekeerd kan een organisatie ook dalen wanneer haar prestaties afnemen. Omdat elke PSO-erkenning na twee jaar automatisch eindigt, wordt bij hercertificering opnieuw gemeten op welk niveau de organisatie zich bevindt. De ladder weerspiegelt zo telkens de actuele, feitelijke prestatie van een organisatie.

De norm naar bedrijfsgrootte

Omdat het gemiddelde aandeel doelgroepmedewerkers verschilt naar bedrijfsgrootte, zijn de normen onderverdeeld in grootteklassen. De rekentool maakt gebruik van een volledige normtabel met alle bedrijfsgroottes, van 2 tot en met 500 medewerkers. De gewogen normpercentages zijn niet rechtstreeks te herleiden tot een vast aantal personen in een organisatie, maar geven aan tot welke groep best presterende bedrijven in dezelfde grootteklasse een organisatie behoort. Het streven is om op termijn ook rekening te houden met brancheverschillen, maar daarvoor ontbreken op dit moment nog voldoende gegevens. Door deze opzet biedt de prestatieladder een eerlijk vergelijkingskader: een klein bedrijf wordt vergeleken met andere kleine bedrijven en een groot bedrijf met andere grote bedrijven.

Submoduletoets

5 vragen · beste score 5/5 · 1 poging(en)

Opnieuw maken