LSR Werkruimte
RK
R. KamphuisAdmin
PSO-cursus
Zoeken...
RK

3.2 Bewijslast per categorie

Leerdoelen

  • De cursist kan per uitgangspositie het juiste bewijsstuk benoemen dat de auditor accepteert.
  • De cursist kan uitleggen waarom een inschrijving in het doelgroepregister of een no-riskpolis volstaat zonder verdere onderbouwing.
  • De cursist begrijpt de 100%-eis voor de bewijsvoering van de directe bijdrage en de gevolgen van ontbrekende bewijzen.

Het uitgangspunt: 100% volledige bewijslast

De Aanvragende organisatie is verantwoordelijk voor de bewijslast van alle gegevens in de definitieve PSO-aanvraag (de ingevulde rekentool). De gevraagde bewijzen voor de directe bijdrage moeten voor 100% volledig zijn en voldoen aan de criteria. De auditor trekt een steekproef uit de persoonlijke dossiers; elk getrokken dossier (100%) moet vier basisgegevens bevatten: uitgangspositie bij instroom, type contract, uren, en datum in dienst/datum uit dienst. Ontbreekt het bewijs van bijvoorbeeld de uitgangspositie, dan krijgt de organisatie twee weken de tijd om alsnog aan te tonen dat de persoon tot de doelgroep behoort. Lukt dat niet, dan corrigeert de auditor het dossier zodat het niet meer meetelt. Bewijzen zijn bij voorkeur formele of door derden goedgekeurde stukken; de auditor bepaalt of een stuk voldoende betrouwbaar is.

Twee hoofdcategorieen van bewijsvoering

Bij de toetsing op de bewijsvoering van de uitgangspositie zijn er twee hoofdcategorieen: (1) uitgangsposities op basis van een duurzame arbeidsbeperking en (2) overige uitgangsposities. Bij de eerste categorie geldt dat iemand meetelt zolang de actieve status voortduurt, met weging 1.

Doelgroepregister en toekenningsbrief (duurzame arbeidsbeperking)

Voor SW-geindiceerden/beschut werk, WAO/WIA/WAZ, Wajong, vso/pro met DG-register, jonggehandicapten met voorziening WML en 'overig ingeschreven in het doelgroepregister' geldt: een bevestiging/bewijs van inschrijving in het doelgroepregister van het UWV is voldoende bewijslast zolang de inschrijving actief is. Is die inschrijving aanwezig, dan hoeft de onderliggende uitgangspositie niet meer apart te worden aangetoond. Alternatief geldt een toekenningsbrief of indicatiebesluit (bijvoorbeeld een SW-indicatiebesluit of toekenningsbrief LKS).

UWV-beschikking en no-riskpolis (WAO/WIA/WAZ, Wajong)

Voor de arbeidsongeschiktheidsdoelgroepen volstaan ook: bewijs dat de persoon onder artikel 29b van de Ziektewet valt, bijvoorbeeld via het recht op een no-riskpolis (dan is geen onderliggende uitgangspositie nodig zolang de no-riskpolis actief is); het (recht op) LKV arbeidsgehandicapte werknemer van het UWV (of LKV van de gemeente) zolang dat recht actief is; bewijs van arbeidsongeschiktheid op grond van een private AOV-verzekering; en een formele UWV-beschikking waarin een arbeidsongeschiktheidspercentage groter dan 0% en kleiner dan 35% is vastgesteld (geldt als bewijs voor WAO/WIA/WAZ).

Gemeentebevestiging (PW/Wwb, IOAW, IOAZ, NUG, SROI)

Voor de Participatiewet-doelgroep toetst de auditor op basis van een formeel document of mail van een gemeente waaruit blijkt wat de uitgangspositie bij instroom was, zoals (kopieen van) brieven over de toekenning van een uitgangspositie of subsidie, of een beschikking inzake een uitkering. Dit dekt ook NUG'ers en SROI-doelgroepen, die via gemeentelijke correspondentie worden onderbouwd.

Uitkeringsspecificaties en LKV (WW)

Voor WW moet de organisatie met een formeel stuk kunnen aantonen dat de persoon voor instroom in totaal minimaal zes maanden werkloos was en WW en/of PAWW ontving. Dat kan met een bewijs van inschrijving bij UWV Werkbedrijf, een toekenningsdocument met datum, of de 4-wekelijkse uitkeringsspecificaties. Bij personen van 56 jaar en ouder voor wie het UWV een LKV oudere werknemer afgeeft, is dat voldoende bewijs en vervalt de zesmaandeneis. (Let op: de LKV oudere werknemer vervalt per 1-1-2026.)

Praktijkovereenkomst (bbl/bol)

Voor bbl/bol op niveau 1 t/m 4 geldt de praktijkovereenkomst (POK) tussen student, school en leerbedrijf, of een formeel document van de opleidingsinstelling waaruit het niveau en de start- en einddatum blijken. De startdatum van het opleidingsniveau moet overeenkomen met de opgegeven ingangsdatum. De meetelduur loopt over de looptijd van de POK; de weging hangt af van het niveau (0,75 voor niveau 1, 0,5 voor niveau 2, 0,25 voor niveau 3/4).

Getekende stage-, arbeids- of detacheringsovereenkomst

Voor het type contract geldt: bij een (arbeids)overeenkomst toetst de auditor de datum in dienst op basis van een getekende arbeids- of stage-overeenkomst in het personeelsdossier, en de datum uit dienst op basis van bijvoorbeeld een beeindigingsovereenkomst. Bij flexibele arbeid (uitzend, payroll, detachering) toont de organisatie het gemiddeld aantal uren aan op basis van verloonde uren, met facturen of detacheringsovereenkomsten. Bij elke vorm van inleen moet met een ondertekende overeenkomst tussen inlener en uitlener worden aangetoond dat de medewerker onder leiding en toezicht van de Aanvragende organisatie werkt (aansluitend op de WAADI).

Verblijfsdocument + TWV (asielzoekers, statushouders)

Voor asielzoekers geldt een vreemdelingendocument type W in combinatie met een tewerkstellingsvergunning (TWV) van het UWV als voldoende bewijslast. Voor statushouders volstaat een verblijfsdocument type 3. Bij een verblijfsdocument type 4 is aanvullende onderbouwing nodig waaruit de afstand tot de arbeidsmarkt blijkt, zoals verblijf in (nood)opvang en/of een (voormalige) bijstands- of WW-uitkering. Voor Oekrainers geldt paspoort + IND-sticker + IND-brief.

Samenwerkingsovereenkomst met PI ((ex-)gedetineerden)

Voor (ex-)gedetineerden toetst de auditor op een samenwerkingsovereenkomst met een penitentiaire inrichting (PI) of met een organisatie die zich specifiek richt op de arbeidsre-integratie van (ex-)gedetineerden.

Bewijs op groepsniveau bij SW-medewerkers

Aanvragende organisaties hebben in de rekentool de mogelijkheid om bij medewerkers met een SW-indicatie meerdere personen als een groep op te voeren. Dat ontslaat de organisatie echter niet van de individuele bewijsplicht: ook in dat geval moeten tijdens de audit op individueel niveau alle bewijzen beschikbaar zijn, en moet aangetoond kunnen worden hoe de omvang van de groep is vastgesteld. De groepsregistratie is dus een administratief gemak, geen versoepeling van de bewijslast.

Aantal uren en omvang aantonen

Naast de uitgangspositie en het type contract toetst de auditor het aantal gewerkte uren dat bepaalt hoe zwaar de medewerker naar rato meetelt. Bij een vast aantal contractuele uren volstaat de arbeids- of stage-overeenkomst. Bij flexibele vormen van arbeid (uitzend-, payroll- en detacheringscontracten) moet de organisatie het gemiddeld aantal uren per week in het peiljaar kunnen aantonen op basis van verloonde uren, bijvoorbeeld met facturen of overeenkomsten van het detacheringsbureau of de uitlenende partij. Het gaat daarbij om het gemiddelde over de beschikbare weken en uren per maand, inclusief niet-gewerkte weken in de betreffende periode. Voor stage- of werkervaringsplaatsovereenkomsten geldt dat voor de omvang wordt uitgegaan van de contractuele uren.

De auditor toetst gericht en steekproefsgewijs

De bewijsvoering van alle gegevens in de rekentool wordt tijdens de audit steekproefsgewijs getoetst. De auditor maakt voor de start van de audit een kopie van de initiele rekentool en verwerkt zijn bevindingen en correcties in die kopie; die bijgestelde kopie geldt als basis voor de uiteindelijke PSO-score. Blijken opgaven niet correct (bijvoorbeeld omvang of type contract wijkt af), dan past de auditor de opgave aan. Dat kan tot een lagere maar ook tot een hogere directe sociale bijdrage leiden. De foutmarge in de steekproef wordt vervolgens via een correctieformule naar rato doorgerekend over de totale directe bijdrage. Goede, complete dossiers vooraf klaarleggen is dus niet alleen een formaliteit, maar bepaalt direct de uiteindelijke score. Twijfel je of een specifiek bewijsstuk volstaat, leg de vraag dan vooraf voor aan PSO-Nederland; de meest actuele en officiele PSO-handleiding is daarbij leidend.

Submoduletoets

5 vragen

Start toets