LSR Werkruimte
RK
R. KamphuisAdmin
PSO-cursus
Zoeken...
RK

4.1 Bedrijfsomvang groep 1 via de verzamelloonstaat

Leerdoelen

  • U kunt uitleggen waarom de bedrijfsomvang nodig is en uit welke drie groepen deze bestaat.
  • U kunt het gemiddeld aantal medewerkers (A) berekenen met de formule SV-dagen / 260.
  • U kunt het aantal fte (G) berekenen met de formule verloonde uren / (52 x urennorm).
  • U kunt de controleregel toepassen dat G nooit groter mag zijn dan A.
  • U weet welke gegevens u uit de verzamelloonstaat opvraagt en bij wie.

Waarom de bedrijfsomvang?

U berekent de bedrijfsomvang om vast te stellen welk deel van de werkzame personen binnen uw organisatie tot de PSO-doelgroep behoort, ten opzichte van het totale personeelsbestand. De bedrijfsomvang is de noemer van de directe sociale bijdrage: zonder een correct vastgestelde omvang kan geen percentage worden berekend. De auditor controleert deze berekening altijd op basis van gegevens die rechtstreeks afkomstig zijn uit de personeels- of loonadministratie.

De bedrijfsomvang bestaat volgens paragraaf 3.1.2 van de handleiding uit drie groepen:

1. Alle werknemers inclusief PSO-doelgroep in dienst.

2. Alle overige werkenden inclusief PSO-doelgroep op basis van een uitzend-, detacherings- of payrollconstructie.

3. Alleen die personen op stages, werkervaringsplekken of proefplaatsingen die vallen onder de PSO-doelgroep.

In deze submodule behandelen we groep 1 via de meest exacte en best controleerbare methode: de verzamelloonstaat. Voor elke groep vult u in de rekentool twee elementen in: het gemiddeld aantal medewerkers (voor groep 1 het veld A) en het aantal fte (voor groep 1 het veld G). Let op: de labels A t/m C en G t/m I komen overeen met de velden in MijnPSO, maar staan niet als zodanig in de handleiding.

De verzamelloonstaat als bron

De verzamelloonstaat vraagt u op bij uw salarisadministratie of salarisverwerker. U vraagt daarop het aantal verloonde uren en het aantal SV-dagen over het peiljaar. Ontbreken deze gegevens, dan kunt u contact opnemen met uw softwareleverancier: deze gegevens zijn verplicht vastgelegd voor de Belastingdienst en het UWV. Het is aan te raden de peildatum te kiezen op de eerste dag van een verloningsperiode, en het kan praktisch zijn de gegevens per verloningstijdvak op te vragen.

Berekening A: het gemiddeld aantal medewerkers

A wordt afgeleid uit het aantal SV-dagen. SV-dagen (sociale verzekeringsdagen) worden ook wel loondagen genoemd: het zijn de dagen waarop het loon wordt doorbetaald. Een volledige definitie staat in de begrippenlijst van de handleiding. Het uitgangspunt is dat 1 medewerker (1 fte op jaarbasis) gelijkstaat aan 260 SV-dagen per jaar.

De formule luidt:

> A = SV-dagen / 260

Werkt iemand een heel jaar voltijd, dan levert die persoon 260 loondagen op; gedeeld door 260 is dat exact 1. Wie maar een half jaar in dienst is, of in deeltijd waarbij minder loondagen worden geregistreerd, draagt naar verhouding minder bij aan A.

Berekening G: het aantal fte

G wordt afgeleid uit alle verloonde uren. Het uitgangspunt is dat 1 fte gelijkstaat aan 52 weken maal de urennorm per week. De urennorm is het centraal ingestelde aantal uren dat als voltijd geldt, bijvoorbeeld 40 uur of het cao-aantal. Belangrijk: dezelfde urennorm moet consequent in alle berekeningen en dossiers worden toegepast.

De formule luidt:

> G = verloonde uren / (52 x urennorm)

Alle uren waarover loon is betaald tellen mee, dus ook overuren, feestdagen en verlof. Bij contractvormen zonder vast urenaantal (min-max- en oproepcontracten) gaat u altijd uit van de verloonde uren en niet van de contractuele uren.

De regel G is kleiner dan of gelijk aan A

Tussen A en G geldt een controleregel: als G hoger uitkomt dan A, wordt G gelijkgesteld aan A. Anders gezegd: G mag nooit groter zijn dan A. De achtergrond is logisch. A telt op basis van loondagen het aantal aanwezige personen; G telt op basis van uren. Komt het aantal fte (uren) hoger uit dan het aantal medewerkers (dagen), dan wijst dat op een onevenwichtigheid in de telling, en wordt G naar beneden bijgesteld tot het niveau van A.

Een uitgewerkt getallenvoorbeeld

Stel: uit de verzamelloonstaat over het peiljaar blijkt dat de organisatie in totaal 3.380 SV-dagen en 24.960 verloonde uren heeft geregistreerd. De centraal ingestelde urennorm is 40 uur per week.

Berekening A:

> A = 3.380 / 260 = 13,0 medewerkers

Berekening G:

> G = 24.960 / (52 x 40) = 24.960 / 2.080 = 12,0 fte

Controle op de regel: G (12,0) is kleiner dan A (13,0), dus G blijft 12,0 fte. Er hoeft niets te worden bijgesteld.

Het verschil tussen 13 medewerkers en 12 fte is verklaarbaar: er werken kennelijk enkele mensen in deeltijd, waardoor het aantal koppen (loondagen) hoger ligt dan het aantal voltijdequivalenten (uren).

Zou G juist op 13,5 fte uitkomen terwijl A 13,0 is, dan zou G worden teruggebracht naar 13,0 fte. Met deze twee uitkomsten, A en G, is groep 1 van de bedrijfsomvang volledig vastgesteld en klaar om in de rekentool te worden ingevoerd.

De peildatum en het peiljaar

Alle gegevens die u in de bedrijfsomvang verwerkt, hebben betrekking op het peiljaar: het jaar voorafgaand aan de peildatum. De PSO meet de prestaties van een Aanvragende organisatie in dat jaar. Een persoon die bijvoorbeeld halverwege het jaar in dienst is gekomen, telt voor de helft mee — precies dat effect ziet u terug in de SV-dagen en de verloonde uren op de verzamelloonstaat. Om recente prestaties te borgen, mag de peildatum maximaal drie maanden vóór de definitieve aanvraag via MijnPSO worden teruggelegd. Het is daarom aan te raden de peildatum te kiezen op de eerste dag van een verloningsperiode, zodat de tijdvakken op de verzamelloonstaat netjes aansluiten.

Waarom de verzamelloonstaat de voorkeur verdient

De verzamelloonstaat is een formeel document dat verplicht is vastgelegd voor de Belastingdienst en het UWV. Dat maakt deze methode bij uitstek controleerbaar en reproduceerbaar: de auditor kan de opgegeven bedrijfsomvang rechtstreeks terugleiden naar de loonadministratie. Anders dan bij handmatige tellingen op basis van contracten zijn de SV-dagen en verloonde uren al objectief geregistreerd. Dat verkleint de kans op fouten en op discussie tijdens de audit. Houd er rekening mee dat de berekeningen consequent uitgaan van 52 weken per jaar en 365 kalenderdagen; kleine afrondingsverschillen tussen week- en dagtellingen doen geen afbreuk aan de juistheid van de berekening.

Aandachtspunten bij het opvragen

Vraag de verzamelloonstaat altijd over het volledige peiljaar op, bij voorkeur per verloningstijdvak. Ontbreken de velden voor verloonde uren of SV-dagen, schakel dan uw softwareleverancier in: deze gegevens horen standaard aanwezig te zijn. Let bij bijzondere contractvormen op: bij min-max- en oproepcontracten gaat u uit van de verloonde uren, niet van de (vaak nul) contracturen. Zo voorkomt u dat flexkrachten ten onrechte buiten de telling vallen.

Samenhang met de overige groepen

De verzamelloonstaatmethode levert de velden A en G voor groep 1 — werknemers in dienst. Voor de totale bedrijfsomvang voegt u hier later de groepen 2 (uitzend/detachering/payroll: velden B en H) en 3 (doelgroep op stage/werkervaring/proefplaatsing: velden C en I) aan toe, zoals behandeld in submodule 4.2. De som van de fte-velden (G + H + I) vormt uiteindelijk de bedrijfsomvang in fte die als noemer dient voor de directe sociale bijdrage in submodule 4.3. Goed om te weten: een Aanvragende organisatie komt pas in aanmerking voor een PSO-erkenning bij minimaal twee fte aan werkzame personen in het peiljaar, gedurende minimaal een jaar, en minimaal twee werkzame personen op de aanvraagdatum.

Samenvattend rekenstramien

1. Vraag SV-dagen en verloonde uren over het peiljaar op uit de verzamelloonstaat.

2. Reken A uit: SV-dagen / 260.

3. Reken G uit: verloonde uren / (52 x urennorm).

4. Pas de regel toe: als G > A, dan G = A.

5. Voer A en G in als groep 1 van de bedrijfsomvang.

Submoduletoets

5 vragen

Start toets