LSR Werkruimte
RK
R. KamphuisAdmin
PSO-cursus
Zoeken...
RK

4.2 Andere methoden en groepen

Leerdoelen

  • U kunt de bedrijfsomvang voor groep 1 berekenen via peilmomenten en via werkzame weken/dagen en contracturen.
  • U weet hoeveel peilmomenten passend zijn bij de mate van personeelsfluctuatie.
  • U kunt groep 2 (uitzend/detachering/payroll) berekenen via gefactureerde uren of gefactureerde kosten.
  • U weet dat voor groep 3 alleen doelgroepmedewerkers meetellen en dat I altijd via weken/dagen wordt berekend.
  • U weet wie en wat is uitgesloten van de bedrijfsomvang.

Meer dan één weg naar de bedrijfsomvang

De verzamelloonstaat (submodule 4.1) is niet de enige toegestane methode. De Leidraad beschrijft voor groep 1 ook de peilmomentenmethode en de methode op basis van werkzame weken/dagen en contracturen. Het is aan de aanvrager om te kiezen welke methode wordt gebruikt; de berekening moet altijd controleerbaar en reproduceerbaar zijn. Daarnaast kennen we groep 2 (uitzend/detachering/payroll) en groep 3 (doelgroep op stage/werkervaring/proefplaatsing), elk met eigen methodes.

Methode peilmomenten (groep 1)

Bij deze methode bepaalt u eerst het aantal peilmomenten (PM). Op elk peilmoment telt u het aantal medewerkers en het aantal fte dat op dat moment werkzaam is. Medewerkers die vóór het peilmoment uit dienst zijn gegaan, tellen niet mee.

> A = (mdws PM1 + mdws PM2 + ... ) / aantal peilmomenten

> G = (fte PM1 + fte PM2 + ...) / aantal peilmomenten

Het juiste aantal peilmomenten hangt af van de fluctuatie in het personeelsbestand. De handleiding (par. 3.5.3) geeft duidelijke richtsnoeren:

  • Minder dan 10% variatie tussen het laagste en hoogste aantal medewerkers: 2 peilmomenten volstaan (begin en einde peiljaar).
  • Variatie tussen 10 en 30%, seizoensinvloeden of wisselende inzet van flexibele arbeid: minimaal 4 peilmomenten (bijvoorbeeld per kwartaal).
  • Sterke fluctuaties, zoals bij uitzendondernemingen: een maandelijks peilmoment ligt in de rede.

Het gekozen aantal moet proportioneel zijn aan de variatie en controleerbaar zijn voor de auditor.

Methode werkzame weken/dagen en contracturen (groep 1)

U zet alle medewerkers op een rij en noteert per persoon de periode tussen in- en uitdiensttreding binnen het peiljaar en het contractuele aantal uren. Voorbeeld (peiljaar 1-1 t/m 31-12):

  • Medewerker 1: in dienst per 1-1, nog in dienst, 32 uur per week.
  • Medewerker 2: in dienst per 1-3, nog in dienst, 40 uur per week.
  • Medewerker 3: in dienst per 1-1, uit dienst per 30-6, 40 uur per week.

Berekening A op basis van weken. Tel het aantal weken tussen de in- en uitdienstdata: 52 + 44 + 26 = 122 weken.

> A = 122 / 52 = 2,34 medewerkers

(Op basis van kalenderdagen: 365 + 306 + 180 = 851 dagen; 851 / 365 = 2,33 medewerkers. Het kleine verschil komt door afrondingen tussen week- en dagtellingen.)

Berekening G op basis van contracturen. Bereken de contractuele uren over het hele peiljaar:

  • Medewerker 1: 32 uur x 52 weken = 1.664 uur
  • Medewerker 2: 40 uur x 44 weken = 1.760 uur
  • Medewerker 3: 40 uur x 26 weken = 1.040 uur
  • Totaal = 4.464 uur

> G = 4.464 / (52 x 40) = 4.464 / 2.080 = 2,14 fte

Gebruikt u software die het gemiddeld aantal medewerkers en fte berekent, dan mag dat, mits de berekening controleerbaar en reproduceerbaar is.

Groep 2: uitzend, detachering en payroll

Voor groep 2 vult u B (gemiddeld aantal medewerkers) en H (fte) in. Omdat dit ingeleende krachten via derden zijn, controleert de auditor aan de hand van de financiële administratie (facturen, crediteurenlijst, winst- en verliesrekening).

  • Methode 1 – gefactureerde uren. U onderbouwt alle gefactureerde uren met facturen. B berekent u net als bij groep 1 via weken/dagen. H volgt uit de gefactureerde uren: bij 4.168 gefactureerde uren en urennorm 40 is H = 4.168 / (52 x 40) = 2 fte.
  • Methode 2 – gefactureerde kosten. Alleen toegestaan na goedkeuring door de auditor, bedoeld als versimpeling. Stap 1: gemiddeld uurtarief = factuurbedrag excl. btw / gefactureerde uren (bijv. €16.800 / 480 = €35). Stap 2: totale inleenkosten / uurtarief (bijv. €1.701.336 / €35 = 48.609,60 uur). Stap 3: H = 48.609,60 / 52 / urennorm (38) = 24,6 fte.

Groep 3: doelgroep op stage, werkervaring of proefplaatsing

Voor groep 3 vult u C (medewerkers) en I (fte) in. Hier tellen alleen personen mee die tot de PSO-doelgroep behoren. Bij stagecontracten (BBL/BOL, VSO/PRO) gaat u uit van de uren in de stageovereenkomst; bij een BBL-overeenkomst mogen betaalde opleidingsuren meetellen. C kunt u via weken/dagen óf via peilmomenten berekenen; I berekent u altijd via methode 1 (weken/dagen), nooit via peilmomenten.

Wat telt niet mee

De bedrijfsomvang is inclusief de PSO-doelgroep, maar nadrukkelijk exclusief:

  • zzp'ers,
  • uitbesteed werk,
  • hbo-stagiaires die niet tot de PSO-doelgroep behoren.

Personen op stage, vrijwilligerswerk of proefplaatsing die niet tot de PSO-doelgroep behoren, tellen evenmin mee in de bedrijfsomvang.

Kiezen tussen de methodes

De Leidraad laat de keuze van de methode bij de aanvrager. De verzamelloonstaat (4.1) is het meest exact; de weken/dagen-methode is inzichtelijk en goed te documenteren in een Excel-overzicht; de peilmomentenmethode is praktisch bij wisselende bezetting. In alle gevallen geldt dezelfde eis: de berekening moet controleerbaar en reproduceerbaar zijn, en dezelfde urennorm moet consequent in alle methodes en dossiers worden toegepast.

Weken versus kalenderdagen

Zowel bij groep 1, 2 als 3 kunt u A (of B, of C) op twee manieren benaderen: via hele weken of via kalenderdagen. Beide leiden tot vrijwel dezelfde uitkomst. In het weken/dagen-voorbeeld van groep 1 levert de wekentelling 2,34 medewerkers op (122 / 52) en de dagentelling 2,33 (851 / 365). Het minieme verschil komt door afronding; de Leidraad benadrukt dat dit geen afbreuk doet aan de juistheid. Kies één benadering en pas die consequent toe.

Groep 3 nader bekeken

Groep 3 verschilt principieel van groep 1 en 2: hier tellen uitsluitend personen mee die tot de PSO-doelgroep behoren. Wie buiten de doelgroep valt en op stage, vrijwilligerswerk of proefplaatsing zit, telt niet mee in de bedrijfsomvang. Voor doelgroepstagiaires geldt: bij geen vast urenaantal gaat u uit van de daadwerkelijk gewerkte uren; bij stagecontracten (BBL/BOL, VSO/PRO) van de uren in de stageovereenkomst; bij een BBL-overeenkomst mogen ook betaalde opleidingsuren meetellen. Het uitgewerkte voorbeeld uit de Leidraad: drie doelgroepstagiaires met 27, 4 en 26 werkzame weken geven samen 57 weken; C = 57 / 52 = 1,09 medewerkers. De bijbehorende stage-uren (864 + 80 + 1.040 = 1.984) leveren I = 1.984 / (52 x 40) = 0,95 fte. Voor I gebruikt u altijd deze weken/dagen-methode, nooit peilmomenten.

Groep 2 nader bekeken

Bij groep 2 (uitzend, detachering, payroll) controleert de auditor via de financiële administratie, omdat het ingeleende krachten betreft. De auditor toetst steekproefsgewijs of alle inleenpartijen zijn meegenomen, bijvoorbeeld via een crediteurenlijst of de winst- en verliesrekening in combinatie met grootboekrekeningen. Bij methode 1 onderbouwt u elke gefactureerde uur met een factuur; H volgt dan rechtstreeks uit het totaal gefactureerde uren gedeeld door (52 x urennorm). Methode 2 (gefactureerde kosten) is een vereenvoudiging die alleen na goedkeuring van de auditor mag worden gebruikt en die werkt met een gemiddeld uurtarief uit twaalf representatieve inkoopfacturen.

Peilmomenten en de auditor

De auditor beoordeelt of het gekozen aantal peilmomenten voldoende is. Het aantal moet proportioneel zijn aan de variatie in het personeelsbestand. Een vuistregel uit de handleiding: minder dan 10% variatie tussen het laagste en hoogste aantal medewerkers rechtvaardigt twee peilmomenten; tussen 10 en 30% variatie (of seizoensinvloeden, wisselende flexarbeid) minimaal vier; bij sterke fluctuaties, zoals bij uitzendondernemingen, ligt een maandelijks peilmoment in de rede. Bij veel kortdurende flexarbeid of seizoenspieken mag u ook uitgaan van maandgemiddelden die u optelt en middelt tot een jaargemiddelde. In alle gevallen moet u kunnen aantonen waarop de opgave is gebaseerd.

Submoduletoets

5 vragen

Start toets