Leerdoelen
De directe sociale bijdrage is het hart van de PSO: het is de bijdrage die uw organisatie zélf levert door mensen uit de PSO-doelgroep werk te bieden. De PSO maakt onderscheid tussen een directe bijdrage (plaatsingen in de eigen organisatie) en een indirecte bijdrage (via andere organisaties, zie 4.4). De directe sociale bijdrage drukt uit welk deel van uw totale personeelsbestand bestaat uit werkzame personen uit de doelgroep.
De berekening (par. 3.1.3 van de handleiding) luidt:
> Directe sociale bijdrage = aantal fte uit de PSO-doelgroep (gewogen) / bedrijfsomvang in fte
In woorden: het aantal werkzame personen uit de PSO-doelgroep in fte, gewogen naar uitgangspositie en aard van het contract, gedeeld door de omvang van het totale personeelsbestand in fte van de Aanvragende organisatie (de Hoofdaanvrager én eventuele Onderliggende entiteiten), in het peiljaar voorafgaand aan de peildatum.
De handleiding gebruikt een helder rekenvoorbeeld om de bedrijfsomvang en de bijdrage te illustreren. De bedrijfsomvang in fte wordt opgebouwd uit de drie groepen:
Daarvan zijn er 8 fte werkzame personen met een kwetsbare arbeidsmarktpositie. De (ongewogen) directe sociale bijdrage is dan:
> 8 / 100 = 8%
Dit is de *ongewogen* bijdrage. Voor de officiële PSO-score wordt het aantal doelgroep-fte echter eerst gewogen.
In hoofdmodule 2 hebt u geleerd dat de arbeidsmarktkansen en het arbeidsvermogen per persoon sterk verschillen. Daarom past de PSO een weging toe: hoe hoger de weging, hoe groter de (veronderstelde) afstand tot de arbeidsmarkt. Medewerkers uit de PSO-doelgroep tellen alléén voor dat gewogen deel mee in de berekening van de directe sociale bijdrage. De weging is gebaseerd op de uitgangspositie van de persoon (tabel 3.1) en de aard van het contract (tabel 3.2).
Dit betekent dat de teller van de directe sociale bijdrage doorgaans afwijkt van het ongewogen aantal koppen of fte. Stel dat de 8 fte doelgroep na weging neerkomt op bijvoorbeeld een gewogen waarde die hoger of lager uitvalt; dan verandert het percentage navenant. De noemer (de bedrijfsomvang van 100 fte) blijft daarbij ongewijzigd. De weging kan dus zowel tot een hogere als tot een lagere directe sociale bijdrage leiden dan het ongewogen percentage.
Werk het voorbeeld door met fictieve, narekenbare weegfactoren. Stel dat de 8 fte doelgroep als volgt zijn opgebouwd en gewogen:
De gewogen directe sociale bijdrage wordt dan:
> 9,5 / 100 = 9,5%
In dit voorbeeld tilt de weging de bijdrage van 8% (ongewogen) naar 9,5% (gewogen), omdat een deel van de medewerkers een grotere afstand tot de arbeidsmarkt heeft. (De exacte weegfactoren ontleent u in de praktijk aan de tabellen 3.1 en 3.2 uit hoofdmodule 2; de getallen 1,0 en 1,5 dienen hier puur ter illustratie van de rekenstap.)
De PSO wil de eigen verantwoordelijkheid van organisaties benadrukken. Daarom geldt een belangrijke randvoorwaarde: de directe sociale bijdrage van een te erkennen organisatie moet ten minste 20% van de norm van de trede bedragen waarvoor de erkenning wordt aangevraagd (zie de normtabel 3.5 in submodule 4.5).
Dit betekent dat u zich niet uitsluitend op de indirecte bijdrage (inkoop bij anderen) kunt baseren. Minimaal een vijfde van de vereiste norm moet uit uw eigen organisatie komen. Voldoet u niet aan de gehele norm, dan mag u de eigen directe bijdrage aanvullen met een indirecte bijdrage, maar de directe ondergrens van 20% blijft altijd staan. Pas wanneer aan deze eis is voldaan, mag de indirecte bijdrage worden meegeteld om de totale norm te bereiken.
Een belangrijke voorwaarde om als directe bijdrage mee te tellen: de medewerker moet werkzaam zijn onder leiding en toezicht van de Aanvragende organisatie. Is dat niet het geval, dan betreft het uitbesteed werk of een opdracht en telt het niet mee als directe sociale bijdrage (maar mogelijk wel als indirecte bijdrage, zie 4.4). Dit onderscheid bepaalt dus aan welke kant van de berekening een plaatsing terechtkomt.
Net als bij de bedrijfsomvang gaat de directe sociale bijdrage uit van het peiljaar: het jaar voorafgaand aan de peildatum. Een doelgroepmedewerker die halverwege het jaar in dienst kwam, telt naar rato mee. De teller (gewogen doelgroep-fte) en de noemer (bedrijfsomvang in fte) hebben beide betrekking op datzelfde peiljaar, zodat het percentage een zuivere momentopname over het jaar geeft.
De weging is wat de PSO onderscheidend maakt. Niet elke doelgroepmedewerker telt even zwaar: hoe groter de veronderstelde afstand tot de arbeidsmarkt, hoe hoger de weegfactor. De PSO hanteert hiervoor twee dimensies, die u in hoofdmodule 2 hebt leren kennen: de uitgangspositie bij instroom (tabel 3.1) en de aard van het contract (tabel 3.2). Pas na toepassing van deze wegingen ontstaat het gewogen aantal doelgroep-fte dat als teller dient. Omdat de weging zowel boven als onder 1,0 kan liggen, kan de gewogen bijdrage hoger óf lager uitvallen dan de ongewogen 8%. De auditor controleert de uitgangspositie en het type contract via de persoonsdossiers; ontbreken of kloppen gegevens niet, dan past de auditor de steekproef aan, wat tot een lagere maar ook tot een hogere directe bijdrage kan leiden.
De directe sociale bijdrage (samen met de indirecte) bepaalt op welke trede u uitkomt. Organisaties die ten minste de basistredenorm halen, behoren tot de 50% best presterende bedrijven in hun grootteklasse; trede 1 hoort bij de 35%, trede 2 bij de 22,5% en trede 3 bij de 10% best presterende bedrijven. Voor de Basistrede en de treden 1 t/m 3 gelden naast de kwantitatieve prestatie ook kwalitatieve eisen rond passend werk, integratie, functioneren & ontwikkeling en begeleiding.
De ondergrens van 20% van de norm van de beoogde trede is bewust ingebouwd om de eigen verantwoordelijkheid te benadrukken. Exacter geformuleerd: een organisatie kan een PSO-erkenning bemachtigen wanneer er voor minimaal 20% van de norm van de beoogde trede personen uit de PSO-doelgroep werkzaam zijn in de eigen organisatie (directe bijdrage). De rest mag worden aangevuld met sociaal inkopen of uitbesteden (indirecte bijdrage). Een kennisintensief bedrijf dat zelf weinig doelgroepplaatsingen kan realiseren, kan dus toch een trede halen — mits het ten minste die 20% directe ondergrens haalt. Bedraagt de norm voor uw trede bijvoorbeeld 2,10%, dan moet uw directe bijdrage minimaal 0,42% zijn voordat de indirecte bijdrage mag meetellen.
Submoduletoets
5 vragen