LSR Werkruimte
RK
R. KamphuisAdmin
PSO-cursus
Zoeken...
RK

4.5 Totale bijdrage en de normtabel 3.5

Leerdoelen

  • U kunt de totale sociale bijdrage berekenen als som van directe en indirecte bijdrage.
  • U kunt een totale bijdrage vergelijken met de normwaarden uit tabel 3.5 en de trede bepalen.
  • U begrijpt waarom kleinere bedrijven een hogere norm hebben.
  • U weet dat normpercentages niet te herleiden zijn tot een concreet aantal personen.

De totale sociale bijdrage

De laatste rekenstap is eenvoudig van vorm maar bepalend voor de uitkomst. De totale sociale bijdrage is simpelweg de som van de directe en de indirecte bijdrage:

> Totale sociale bijdrage = directe sociale bijdrage + indirecte sociale bijdrage

Deze som vergelijkt u met de norm voor uw bedrijfsgrootte uit tabel 3.5. Haalt u ten minste de norm voor de basistrede, dan presteert u boven het gemiddelde van alle organisaties met minstens één doelgroepmedewerker in dezelfde grootteklasse: u behoort dan tot de 50% best presterende bedrijven. Trede 1 ligt bij de 35% best presterende bedrijven, trede 2 bij 22,5% en trede 3 bij de 10% best presterende bedrijven.

Onthoud uit submodule 4.3 dat de directe bijdrage ten minste 20% van de norm van de aangevraagde trede moet bedragen; de indirecte bijdrage vult de rest aan.

De normtabel 3.5

Tabel 3.5 geeft per bedrijfsgrootte (in medewerkers) de vereiste norm voor de basistrede en de treden 1, 2 en 3, uitgedrukt in een percentage totale sociale bijdrage. De rekentool gebruikt een volledige tabel voor alle bedrijfsgroottes van 2 t/m 500. Hieronder een selectie van normwaarden uit de handleiding:

| Bedrijfsgrootte (mw) | Basistrede | Trede 1 | Trede 2 | Trede 3 |

|---|---|---|---|---|

| 2 | 15,55 | 21,40 | 28,00 | 33,00 |

| 10 | 5,08 | 6,70 | 9,00 | 15,50 |

| 50 | 2,06 | 3,00 | 3,70 | 6,80 |

| 100 | 1,21 | 1,50 | 2,10 | 3,90 |

| 500+ | 1,00 | 1,20 | 1,58 | 3,32 |

Hoe leest u de tabel?

Het opvallendste patroon: hoe kleiner het bedrijf, hoe hoger de norm. Een organisatie van 2 medewerkers moet voor de basistrede 15,55% halen, terwijl een organisatie van 500+ medewerkers daarvoor al genoeg heeft aan 1,00%. De reden is statistisch: bij een klein bedrijf heeft één doelgroepmedewerker een veel groter aandeel in het totaal dan bij een groot bedrijf. Eén persoon op 2 medewerkers is 50% van het bestand; één persoon op 500 is slechts 0,2%. Om recht te doen aan deze verhouding liggen de normen voor kleine bedrijven veel hoger.

Hetzelfde patroon zien we per kolom: binnen elke bedrijfsgrootte loopt de norm op van basistrede naar trede 3. Voor 10 medewerkers stijgt de eis van 5,08% (basis) via 6,70% (trede 1) en 9,00% (trede 2) naar 15,50% (trede 3). Een hogere trede betekent een hogere prestatie.

Een uitgewerkt voorbeeld

Stel dat een organisatie van 100 medewerkers een directe sociale bijdrage van 1,4% heeft berekend (submodule 4.3) en daarbovenop een indirecte bijdrage van 0,8% (submodule 4.4). De totale bijdrage is dan:

> 1,4% + 0,8% = 2,2%

Vergelijk dit met de kolom voor 100 medewerkers in tabel 3.5:

  • Basistrede: 1,21% — gehaald (2,2% > 1,21%)
  • Trede 1: 1,50% — gehaald (2,2% > 1,50%)
  • Trede 2: 2,10% — gehaald (2,2% > 2,10%)
  • Trede 3: 3,90% — niet gehaald (2,2% < 3,90%)

De organisatie komt in dit voorbeeld dus uit op trede 2. Let wel: ook de eis dat de directe bijdrage minstens 20% van de norm van trede 2 (20% van 2,10% = 0,42%) bedraagt, moet zijn vervuld; met een directe bijdrage van 1,4% is dat ruimschoots het geval.

Een belangrijke nuance: percentages zijn geen aantallen personen

Een veelgemaakte denkfout is het terugrekenen van een normpercentage naar een concreet aantal personen. Dat kan niet. De getoonde percentages zijn normwaarden voor de totale (gewogen, directe plus indirecte) sociale bijdrage en zijn niet te herleiden tot een eenvoudig aantal medewerkers uit de doelgroep. De teller is immers gewogen naar uitgangspositie en contractaard, en de bijdrage bevat ook een indirect deel uit inkoop. Een norm van bijvoorbeeld 2,10% betekent dus níét "ongeveer twee doelgroepmedewerkers op honderd". Reken altijd met de volledige methodiek uit deze hoofdmodule en vergelijk de uitkomst met de normtabel; vermijd de verleiding om een percentage rechtstreeks naar koppen te vertalen.

De optelsom als sluitstuk

Submodules 4.1 t/m 4.4 leverden alle bouwstenen: de bedrijfsomvang in fte (4.1 en 4.2), de directe sociale bijdrage (4.3) en de indirecte sociale bijdrage (4.4). De totale bijdrage is de simpele som van directe en indirecte bijdrage, en die som vergelijkt u met tabel 3.5 voor uw grootteklasse. Dit is dus het moment waarop alle eerdere berekeningen samenkomen tot één getal dat bepaalt of en welke trede u behaalt.

De grootteklasse bepaalt de kolom én de rij

De normtabel is geordend naar bedrijfsgrootte in medewerkers. U zoekt de rij die past bij uw aantal medewerkers (de rekentool gebruikt een volledige tabel van 2 t/m 500) en leest daar de vier normwaarden af. De grootteklasse-indeling is gebaseerd op het gemiddeld aantal werkzame personen. Vervolgens kijkt u welke normwaarden uw totale bijdrage overstijgt: de hoogste trede waarvan u de norm haalt, is de trede die u kunt behalen — mits ook aan de kwalitatieve eisen (vanaf de basistrede) en de 20%-directe-ondergrens is voldaan.

Waarom de norm daalt bij grotere bedrijven

Het patroon dat kleinere bedrijven een hogere norm hebben, is geen willekeur maar volgt uit de WEA-cijfers (Werkgevers Enquête Arbeid van TNO) waarop de normen zijn gebaseerd. Bij een klein bedrijf weegt één doelgroepmedewerker zwaar door in het percentage, bij een groot bedrijf nauwelijks. Om in alle grootteklassen een vergelijkbaar prestatieniveau te eisen (bijvoorbeeld "behoren tot de 50% best presterende bedrijven" voor de basistrede), moeten de drempels voor kleine bedrijven hoger liggen. Zo komt het dat de basistredenorm daalt van 15,55% bij 2 medewerkers naar 1,00% bij 500+ medewerkers.

Aspirant-status: nog geen norm

Organisaties die voornemens zijn socialer te gaan ondernemen, kunnen een Aspirant-status verkrijgen. Zij hoeven nog niet aan een norm uit tabel 3.5 te voldoen, maar moeten wel met de rekentool hun huidige niveau inzichtelijk maken en laten toetsen, plus een op directieniveau vastgesteld plan van aanpak hebben en met de implementatie zijn gestart. De rekenmethodiek uit deze hoofdmodule is dus ook voor Aspiranten relevant.

Waarom percentages geen aantallen zijn

De waarschuwing dat normpercentages niet naar aantallen personen te herleiden zijn, verdient nadruk omdat de fout zo verleidelijk is. De totale bijdrage is opgebouwd uit een gewogen directe component (waarbij doelgroepmedewerkers met een grotere afstand zwaarder tellen) en een indirecte component uit inkoop. Een percentage van bijvoorbeeld 2,10% vertegenwoordigt dus geen vast aantal koppen: twee medewerkers met een hoge weegfactor kunnen meer "wegen" dan drie met een lage. Vergelijk daarom altijd het volledig berekende totaalpercentage met de normtabel, en weersta de neiging om vanuit een norm terug te rekenen naar een aantal personen.

Het volledige rekenstramien

1. Bepaal de bedrijfsomvang in fte (groepen 1, 2, 3 — submodules 4.1 en 4.2).

2. Bereken de directe sociale bijdrage: gewogen doelgroep-fte / bedrijfsomvang (4.3).

3. Bereken de indirecte sociale bijdrage in twee stappen (4.4).

4. Tel directe en indirecte bijdrage op tot de totale bijdrage.

5. Zoek uw grootteklasse op in tabel 3.5 en bepaal de hoogste haalbare trede, rekening houdend met de 20%-eis en de kwalitatieve criteria.

Submoduletoets

5 vragen

Start toets