LSR Werkruimte
RK
R. KamphuisAdmin
PSO-cursus
Zoeken...
RK

2.2 Peildatum, peiljaar, bedrijfsomvang, fte en urennorm

Leerdoelen

  • Je kunt peildatum en peiljaar definieren en hun onderlinge relatie uitleggen.
  • Je begrijpt dat plaatsingen naar rato van de werkzame periode meetellen.
  • Je kunt de bedrijfsomvang omschrijven als het totale personeelsbestand in fte over het peiljaar.
  • Je weet wat de urennorm is (40 uur of cao) en kunt de 'gouden regel' van consistente urennorm toepassen.

Peildatum en peiljaar

De PSO meet prestaties over een afgebakende periode. Voor het meten van de directe en indirecte sociale bijdrage gaat de PSO uit van de prestaties (het aantal plaatsingen) van een Aanvragende organisatie in het jaar voorafgaand aan de peildatum. Dat jaar heet het peiljaar (ook wel meetjaar genoemd): het is de periode van twaalf maanden direct voor de peildatum. Alle gegevens die een organisatie in MijnPSO invoert, gaan altijd over het totaal (gemiddelde) van de hele Aanvragende organisatie zoals dat zich in het peiljaar heeft voorgedaan. Het peiljaar is dus het meetvenster waarbinnen alle tellingen plaatsvinden.

De peildatum is het ankerpunt waaraan het peiljaar wordt opgehangen. Om te borgen dat de PSO recente prestaties meet, mag de peildatum maximaal drie maanden voor de datum waarop een Hoofdaanvrager de PSO-erkenning definitief via MijnPSO aanvraagt, worden teruggelegd. De peildatum mag dus niet te ver in het verleden liggen; de gemeten gegevens moeten actueel zijn. In de praktijk is het aan te raden de peildatum te kiezen op de eerste dag van een verloningsperiode, zodat de administratie netjes aansluit op de loonadministratie en de gegevens eenvoudig per verloningstijdvak zijn op te vragen.

Naar rato meetellen

Omdat de PSO over een heel jaar meet, telt niet iedereen voor een volledig persoon mee. Een persoon die bijvoorbeeld halverwege het jaar aan het werk is gegaan (of halverwege uit dienst is gegaan), wordt voor de helft meegeteld. We noemen dit naar rato meetellen: de bijdrage wordt evenredig verdeeld over de periode dat iemand binnen het peiljaar werkzaam was. Voor de berekening wordt gewerkt met hele weken en kalenderdagen binnen het peiljaar; de berekeningen gaan consequent uit van 52 weken per jaar en 365 kalenderdagen. Hetzelfde naar-rato-principe geldt voor Onderliggende entiteiten die maar een deel van het peiljaar onder de Hoofdaanvrager vielen; zij tellen alleen voor dat deel mee, zowel boven als onder de streep van de berekening.

Bedrijfsomvang en fte

De bedrijfsomvang is het totale personeelsbestand in fte van de Aanvragende organisatie in het peiljaar. Je berekent de bedrijfsomvang om vast te stellen welk deel van de werkzame personen tot de PSO-doelgroep behoort ten opzichte van het geheel. De bedrijfsomvang bestaat uit drie groepen: (1) alle werknemers inclusief PSO-doelgroep in dienst, (2) alle overige werkenden inclusief PSO-doelgroep op basis van een uitzend-, detacherings- of payrollconstructie, en (3) alleen die personen op stages, werkervaringsplekken of proefplaatsingen die onder de PSO-doelgroep vallen. Personen die niet tot de PSO-doelgroep behoren en op basis van een stage, vrijwilligerswerk of proefplaatsing werkzaam zijn, tellen niet mee. Buiten de berekening blijven verder: zzp'ers, uitbesteed werk en hbo-stagiairs die niet tot de PSO-doelgroep behoren.

Een fte (fulltime-equivalent) is een rekeneenheid voor een voltijdbaan. Een fte staat gelijk aan 52 weken maal de urennorm per week. Wie de verloonde uren door (52 x urennorm) deelt, krijgt het aantal fte. Een Hoofdaanvrager en eventuele Onderliggende entiteiten gaan altijd in hun geheel mee bij de berekening van het totaal aantal medewerkers en fte's. De auditor controleert deze berekening altijd op basis van gegevens die rechtstreeks afkomstig zijn uit de personeels- of loonadministratie; voor ingeleende krachten gebeurt dit aan de hand van stukken uit de financiele administratie.

Voor het berekenen van de fte bestaan verschillende toegestane rekenmethodes. Zo kan de bedrijfsomvang worden bepaald op basis van de verzamelloonstaat (verloonde uren en SV-dagen), op basis van peilmomenten (meerdere tellingen verspreid over het peiljaar) of op basis van de werkzame weken en contracturen per medewerker. Welke methode een organisatie kiest, is aan de aanvrager zelf, zolang de uitkomst maar controleerbaar en reproduceerbaar is voor de auditor. Bij alle methodes geldt dat zzp'ers, uitbesteed werk en niet-doelgroep hbo-stagiairs buiten de telling blijven.

De urennorm

De urennorm is het aantal uren dat de PSO als referentie voor een fte hanteert. Als referentie van de omvang gaat de PSO uit van een 40-urige werkweek, tenzij in de cao een andere urennorm voor een fte is overeengekomen. De aanvrager kan in de rekentool de cao-urennorm aanpassen, mits aantoonbaar gebaseerd op formele cao-afspraken. Bij meerdere cao's binnen de organisatie mag een representatieve gemiddelde urennorm worden gehanteerd, of als alternatief consequent een 40-urige werkweek. De urennorm wordt centraal ingesteld voor de hele Aanvragende organisatie.

De gouden regel

De belangrijkste valkuil rond de urennorm is inconsistentie. De gouden regel luidt: dezelfde urennorm (bijvoorbeeld 40 uur of de cao-norm) moet consequent worden toegepast in alle berekeningen en dossiers. Concreet betekent dit dat je dezelfde urennorm gebruikt in de teller (de gewerkte uren van de doelgroepmedewerkers in de dossiers) en in de noemer (de berekening van de bedrijfsomvang). Reken je de bedrijfsomvang met 40 uur, dan moet je ook de doelgroepuren tegen 40 uur afzetten; gebruik je een cao-norm van bijvoorbeeld 38 uur, dan geldt die norm overal. Door teller en noemer met dezelfde maat te meten blijft de verhouding zuiver en de berekening reproduceerbaar voor de auditor. Wie hier verschillende normen door elkaar gebruikt, krijgt een vertekend percentage en een onbetrouwbare score.

Tot slot: bij contractvormen zonder vast urenaantal, zoals min-max- en oproepcontracten, wordt altijd uitgegaan van verloonde uren en niet van contractuele uren. Alle uren waarover loon is betaald tellen mee, zoals overuren, feestdagen en verlof. De berekening moet altijd controleerbaar en reproduceerbaar zijn, ongeacht welke rekenmethode de aanvrager kiest.

Submoduletoets

5 vragen

Start toets