Leerdoelen
De PSO-doelgroep bestaat uit personen met een kwetsbare arbeidsmarktpositie, ofwel een (veronderstelde) afstand tot de arbeidsmarkt. De afbakening is gebaseerd op de Nederlandse sociale (zekerheids)wetgeving en op de regeling waaronder iemand viel op het moment dat hij of zij bij de Aanvragende organisatie aan de slag ging. Deze regeling, de zogeheten uitgangspositie, is bepalend voor de vraag of iemand meetelt en met welk gewicht. Belangrijk om te beseffen is dat de PSO-doelgroep breder is dan alleen de Participatiewet of de Banenafspraak. Wie tot het doelgroepregister van UWV behoort, valt er zeker onder, maar ook veel mensen die daar niet in staan tellen mee, zoals WW-gerechtigden, statushouders of bbl-/bol-leerlingen. Het is daarom een misverstand om te denken dat alleen mensen onder de Banenafspraak meetellen.
Voor de praktijk is het handig om de doelgroep te ordenen aan de hand van de bewijslast: het soort document waarmee je aantoont dat iemand tot de doelgroep behoort. Op basis daarvan onderscheiden we vier clusters. Deze clusterindeling helpt om snel te bepalen welk bewijsstuk je nodig hebt en welke meetelduur van toepassing is.
Het eerste cluster bestaat uit personen die zijn ingeschreven in het doelgroepregister dat UWV beheert in het kader van de Banenafspraak. Hieronder vallen onder meer SW-geindiceerden en beschut werk, Wajongers, jonggehandicapten die met een voorziening het wettelijk minimumloon (WML) kunnen verdienen, vso-/pro-leerlingen met inschrijving, WIW-/ID-baan en mensen die hun doelgroepstatus in de afgelopen twee jaar verloren maar nog ingeschreven staan. Een sterke regel: ingeschreven staan in het doelgroepregister is altijd voldoende bewijs om met gewicht 1 mee te tellen. Het register kent (nog) geen subcategorie 'overige'; die categorie is bedoeld voor nieuwe subgroepen of voor het geval de organisatie niet kan of wil vaststellen waarom iemand is ingeschreven. Het bewijs bestaat in dit cluster doorgaans uit een uittreksel of toekenningsbrief van UWV. De meetelduur volgt meestal de status: zolang iemand in het register staat, telt hij of zij mee.
Het tweede cluster wordt aangetoond met uitkerings- of toekenningsdocumenten van UWV of de gemeente. Hieronder vallen WAO/WIA/WAZ (inclusief WGA/IVA, en ook personen met een WIA-beschikking zonder uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage groter dan 0% en kleiner dan 35%), Participatiewet/Wwb/IOAW/IOAZ met en zonder loonkostensubsidie, en WW (mits minimaal zes maanden voor instroom). Aan de Participatiewet worden onder meer gelijkgesteld: NUG'ers (niet-uitkeringsgerechtigden) die door de gemeente worden voorgedragen voor een SROI-verplichting zolang die doelgroep nog niet onder een huidige PSO-doelgroep valt. De meetelduur verschilt per categorie: een Participatiewet-achtergrond telt vijf jaar mee vanaf instroom, terwijl WW maximaal drie jaar meetelt. Bij loonkostensubsidie kan iemand zelfs langer dan vijf jaar meetellen, namelijk zolang de loonkostensubsidie loopt.
Het derde cluster betreft lerende doelgroepen, aangetoond met een praktijkovereenkomst of stageovereenkomst. Hieronder vallen bbl-/bol-leerlingen op niveau 1, 2 en 3/4 (zolang er een leerwerkovereenkomst of stage is) en vso-/pro-leerlingen zonder inschrijving in het doelgroepregister. Deze groep telt mee gedurende de looptijd van de praktijk- of stageovereenkomst; voor een stageperiode geldt een maximum van drie jaar en voor schoolverlaters uit vso/pro maximaal vijf jaar na het verlaten van school. Het bewijs bestaat uit de praktijkovereenkomst tussen student, school en leerbedrijf, of uit een getekende stageovereenkomst. Dit cluster komt in de submodules 2.4 en 2.5 nog uitgebreid terug, omdat de weging van deze leerlingen afhankelijk is van zowel hun opleidingsniveau als hun contractvorm.
Het vierde cluster omvat overige doelgroepen met een specifieke status, vaak aangetoond met verblijfs- of identiteitsdocumenten of een samenwerkingsovereenkomst. Voorbeelden zijn asielzoekers (vreemdelingendocument met TWV), statushouders van buiten de EU/EER, Oekrainers onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming en (ex-)gedetineerden met een overeenkomst met een penitentiaire inrichting of re-integratieorganisatie. Deze groepen tellen doorgaans vijf jaar mee, of zolang de betreffende richtlijn of status actief is. Bij Oekrainers geldt bijvoorbeeld dat zij meetellen zolang de tijdelijke beschermingsrichtlijn van kracht is. Veel van deze statussen worden in de handleiding gelijkgesteld aan de Participatiewet en krijgen daarom gewicht 1.
De vier clusters zijn vooral een hulpmiddel om de bewijslast te ordenen; de officiele afbakening en weging staan in tabel 3.1 en 3.2 van de handleiding. Onthoud de rode draad: de doelgroep is breder dan Participatiewet en Banenafspraak, en de meest robuuste bewijsvoering is een inschrijving in het doelgroepregister, omdat die zonder aanvullend bewijs gewicht 1 oplevert. De meest actuele PSO-handleiding blijft leidend en bepaalt of een specifieke status meetelt; bij twijfel kan een organisatie haar vraag voorleggen aan PSO-Nederland. Voor elk van de vier clusters geldt dat naast het juiste bewijsstuk ook de meetelduur correct in MijnPSO moet worden geregistreerd, want na het verstrijken van die duur telt iemand niet langer mee, ook al is hij of zij nog in dienst. Het zorgvuldig vaststellen van de uitgangspositie bij instroom en het bijbehorende cluster is daarmee de basis voor een correcte en controleerbare PSO-score.
Submoduletoets
5 vragen