LSR Werkruimte
RK
R. KamphuisAdmin
PSO-cursus
Zoeken...
RK

2.4 Weging naar uitgangspositie

Leerdoelen

  • Je kunt uitleggen wat 'uitgangspositie' betekent en waarom de PSO weegt.
  • Je kent de wegingsfactoren per uitgangspositie uit tabel 3.1.
  • Je begrijpt waarom bbl/bol naar opleidingsniveau aflopend wordt gewogen.
  • Je weet dat WW een lagere weging (0,75) heeft en dat het doelgroepregister gewicht 1 geeft.

Waarom de PSO weegt

De arbeidsmarktkansen en het arbeidsvermogen kunnen per persoon sterk verschillen. Daarom past de PSO bij het berekenen van de directe sociale bijdrage een weging toe. Het uitgangspunt is: hoe hoger de weging, hoe groter de (veronderstelde) afstand tot de arbeidsmarkt. Idealiter zou die weging gebaseerd zijn op een individuele meting van het arbeidsvermogen, maar omdat een eenduidige en betrouwbare loonwaardemeting nog ontbreekt, is uit pragmatische overwegingen gekozen om te wegen op basis van de uitgangspositie: de regeling waaronder een persoon viel voordat hij of zij aan de slag ging bij de Aanvragende organisatie. De uitgangspositie dient als vertrekpunt voor het meten van de directe sociale bijdrage. Het gaat dus nadrukkelijk om de situatie bij instroom en niet om de situatie tijdens het dienstverband.

Let op: bij meerdere contracten binnen een Aanvragende organisatie is de Hoofdaanvrager leidend voor het bepalen van de uitgangspositie en het type contract. Is iemand bijvoorbeeld vanuit de Hoofdaanvrager gedetacheerd bij een Onderliggende entiteit, dan is sprake van een regulier contract en niet van detachering.

De wegingsfactoren naar uitgangspositie (tabel 3.1)

De handleiding kent in tabel 3.1 de volgende wegingen toe aan de uitgangspositie bij instroom:

| Uitgangspositie (bij instroom) | Weging |

|---|---|

| SW-geindiceerd / beschut werk | 1 |

| Participatiewet/Wwb/IOAW/IOAZ zonder loonkostensubsidie | 1 |

| Participatiewet/Wwb met loonkostensubsidie | 1 |

| WAO/WIA/WAZ | 1 |

| Wajong | 1 |

| Vso of pro zonder inschrijving in doelgroepregister | 1 |

| Vso of pro met inschrijving in doelgroepregister | 1 |

| WIW-/ID-baan | 1 |

| Doelgroepstatus in kader van Banenafspraak verloren in de afgelopen 2 jaar | 1 |

| Jonggehandicapten die met een voorziening WML kunnen verdienen | 1 |

| (Overige) ingeschreven in doelgroepregister in kader van Banenafspraak | 1 |

| WW | 0,75 |

| Bbl/bol niveau 1 (zolang er ook een leerwerkovereenkomst/stage is) | 0,75 |

| Bbl/bol niveau 2 (zolang er ook een leerwerkovereenkomst/stage is) | 0,50 |

| Bbl/bol niveau 3 of 4 (zolang er ook een leerwerkovereenkomst/stage is) | 0,25 |

Het patroon achter de cijfers

Verreweg de meeste uitgangsposities krijgen gewicht 1: SW/beschut werk, alle varianten van de Participatiewet (met en zonder loonkostensubsidie), WAO/WIA/WAZ, Wajong, vso/pro (met en zonder inschrijving), WIW-/ID-baan, een recent verloren doelgroepstatus, jonggehandicapten met WML-voorziening en iedereen die in het doelgroepregister staat. Deze groepen worden geacht een grote afstand tot de arbeidsmarkt te hebben en wegen daarom volledig mee. De gedachte is dat het voor deze mensen relatief veel inspanning kost om aan het werk te komen en te blijven, en dat een organisatie die hen plaatst dus een navenant grote sociale bijdrage levert.

WW vormt een uitzondering met een lagere weging van 0,75. De gedachte daarachter is dat de afstand tot de arbeidsmarkt van een WW-gerechtigde gemiddeld kleiner is dan die van iemand met een arbeidsbeperking of bijstandsachtergrond. Een WW-er telt bovendien pas mee als hij of zij voor instroom zes maanden of langer WW ontving, en mag vanaf instroom maximaal drie jaar meetellen. Voor personen van 56 jaar en ouder voor wie het UWV een loonkostenvoordeel afgeeft, vervalt de zesmaandeneis.

De aflopende reeks bij bbl/bol

De meest opvallende reeks is die van de bbl-/bol-leerlingen. Hun weging loopt af met het opleidingsniveau, zolang er ook sprake is van een leerwerkovereenkomst of stage:

  • niveau 1: weging 0,75
  • niveau 2: weging 0,50
  • niveau 3 of 4: weging 0,25

De logica: hoe hoger het opleidingsniveau, hoe kleiner de veronderstelde afstand tot de arbeidsmarkt en dus hoe lager het gewicht. Deze weging geldt alleen zolang de leerwerkovereenkomst of stage loopt. De ingangsdatum van de leerwerk- of stageovereenkomst geldt in de rekentool als 'datum in dienst'. Verandert het niveau (bijvoorbeeld van niveau 1 naar 2, of van 2 naar 3), dan geldt de overgangsdatum als 'datum uit dienst' voor het oude niveau en als 'datum in dienst' voor het nieuwe niveau, met de bijbehorende lagere weging. Zo blijft de weging steeds aansluiten bij het actuele opleidingsniveau.

Bewijs via het doelgroepregister

Tot slot een praktische regel die telkens terugkomt: ingeschreven staan in het doelgroepregister is (ook) voldoende als bewijs om met gewicht 1 mee te tellen. Voor verschillende posities (zoals SW-indicatie of Wajong) is dan geen aanvullend bewijs meer nodig. De weging die in deze submodule is behandeld, is echter pas de eerste van drie factoren; in submodule 2.5 wordt zij gecombineerd met het contracttype en de omvang tot de totale weging.

De weging in perspectief

De weging naar uitgangspositie is bewust een vereenvoudiging. Omdat een individuele loonwaardemeting ontbreekt, gebruikt de PSO de regeling bij instroom als benadering van het arbeidsvermogen. Dit maakt het systeem werkbaar en uniform voor grote en kleine organisaties, maar betekent ook dat twee mensen met een verschillend arbeidsvermogen dezelfde weging kunnen krijgen als zij uit dezelfde regeling instromen. De afbakening en weging worden in overleg met stakeholders en ontwikkelpartners vastgesteld en jaarlijks besproken in het kader van de doorontwikkeling van de PSO. Voor de praktijk is het belangrijk om de uitgangspositie altijd vast te leggen op het moment van instroom en het bijbehorende bewijs (uitkeringsspecificatie, beschikking of registerinschrijving) zorgvuldig te bewaren.

Submoduletoets

5 vragen

Start toets