LSR Werkruimte
RK
R. KamphuisAdmin
PSO-cursus
Zoeken...
RK

2.5 Weging naar contracttype en totale weging

Leerdoelen

  • Je kent de wegingsfactoren per contracttype uit tabel 3.1.
  • Je kunt de totale weging berekenen als product van uitgangspositie, contracttype en omvang.
  • Je begrijpt hoe de omvang naar rato van de urennorm wordt verwerkt.
  • Je kunt het verschil tussen bbl en bol qua contracttype zorgvuldig uitleggen.

Weging naar contracttype

Naast de uitgangspositie houdt de PSO rekening met de aard, duur en omvang van de overeenkomst die de organisatie met de medewerker heeft gesloten. Tabel 3.1 kent de volgende wegingen toe aan het type contract:

| Type contract | Weging |

|---|---|

| Regulier contract (vast of tijdelijk) | 1 |

| In dienst via regeling Begeleid Werken | 1 |

| Detachering of andere vorm van flexarbeid | 0,9 |

| Stage, werkervaringsplaats of re-integratietraject | 0,75 |

| Proefplaatsing | 0,5 |

Een regulier contract (vast of tijdelijk, inclusief 0-urencontracten) en de regeling Begeleid Werken wegen volledig mee met 1. Detachering, uitzendarbeid en payroll (flexarbeid) wegen 0,9, mits de betrokkene onder regie en verantwoordelijkheid van de Aanvragende organisatie werkt. Een stage, werkervaringsplaats of re-integratietraject weegt 0,75 en een proefplaatsing weegt 0,5. Stages, werkervaringsplaatsen en re-integratietrajecten tellen maximaal drie jaar mee en tellen niet mee bij de toekenning van een 30+-erkenning. Overeenkomsten die niet gericht zijn op het verkrijgen van betaald werk, tellen helemaal niet mee voor de PSO; pure dagbesteding valt er dus buiten.

Weging naar omvang: naar rato

De derde wegingsfactor is de omvang van het contract, uitgedrukt in het aantal uren per week. Die omvang telt naar rato van de urennorm: 40 uur per week of de cao-norm (zie de gouden regel uit submodule 2.2). Een medewerker van 20 uur bij een urennorm van 40 uur levert dus een omvangfactor van 0,5 op. Hoe de uren worden bepaald, hangt af van het contracttype: bij een regulier contract en Begeleid Werken gaat het om de gemiddelde contractuele uren, bij detachering om de gemiddelde gefactureerde (gewerkte) uren in het peiljaar, en bij een bbl-overeenkomst om de contractuele stage-/opleidingsuren. Betaalt de organisatie de opleidingsuren, dan mogen die ook worden meegerekend. Bij een stage in het kader van bol of vso/pro gaat het om het gemiddelde aantal contractueel overeengekomen stage-uren per week. Bij contractvormen zonder vast urenaantal, zoals min-max- en oproepcontracten, wordt uitgegaan van de verloonde uren in plaats van de contractuele uren. De omvangfactor zorgt ervoor dat een deeltijdmedewerker evenredig minder zwaar meetelt dan een voltijdcollega in dezelfde positie en met hetzelfde contracttype.

De totale weging

De drie factoren samen bepalen hoe zwaar een doelgroepmedewerker meetelt. De totale weging is het product van de drie:

Totale weging = uitgangspositie x contracttype x omvang (naar rato)

Voorbeeld: een medewerker met WIA (uitgangspositie 1), een regulier contract (1) en 32 van de 40 uur (omvang 0,8) telt mee voor 1 x 1 x 0,8 = 0,8 gewogen fte. Een bbl-leerling niveau 2 (0,50) met een stagecontract (0,75) van 40 uur (omvang 1) telt mee voor 0,50 x 0,75 x 1 = 0,375. Het is dus heel goed mogelijk dat een persoon die voltijd werkt, toch maar voor een fractie van een fte gewogen meetelt, omdat de uitgangspositie en het contracttype de bijdrage temperen.

Deze drievoudige weging wordt vervolgens per doelgroepmedewerker opgeteld en vormt samen de teller van de directe sociale bijdrage. De noemer is de totale bedrijfsomvang in fte uit submodule 2.2. Het is daarom essentieel dat de urennorm in de omvangberekening van de teller dezelfde is als die in de noemer; de gouden regel uit submodule 2.2 keert hier dus terug. Een gedetacheerde doelgroepmedewerker telt bijvoorbeeld zowel mee in de teller (gewogen) als in de noemer (de bedrijfsomvang), zolang hij onder leiding en toezicht van de Aanvragende organisatie werkt.

Het cruciale verschil tussen bbl en bol

Hier ligt een veelgemaakte fout. Bbl en bol hebben dezelfde uitgangspositieweging (afhankelijk van het niveau: 0,75 / 0,50 / 0,25), maar zij verschillen fundamenteel in het type contract.

Bij de bbl (beroepsbegeleidende leerweg) is de leerwerkovereenkomst in de praktijk een arbeidsovereenkomst met de Aanvragende organisatie (of de leerling is gedetacheerd). Het type contract is dan dus regulier (weging 1), of detachering (0,9) als dat aan de orde is; de handleiding bepaalt dat het type contract met de hoogste waardering geldt. Een bbl'er telt daardoor vaak relatief zwaar mee, ondanks de lagere uitgangsweging die bij het opleidingsniveau hoort.

Bij de bol (beroepsopleidende leerweg) is er geen arbeidsovereenkomst maar een stageovereenkomst. Het type contract is bij bol daarom altijd 'Stage, werkervaringsplaats of re-integratietraject' (weging 0,75). Een bol-leerling telt dus per definitie met de stageweging mee, terwijl een bbl-leerling met dezelfde uitgangspositie de hogere contractweging van een regulier contract krijgt. Met 'stage' wordt in dit verband de stageovereenkomst bedoeld in het kader van een bol-leerweg of een arbeidstoeleidingsstage voor vso- en pro-leerlingen.

Dit verschil verklaart waarom twee leerlingen op hetzelfde opleidingsniveau toch verschillend kunnen meetellen: niet de uitgangspositie, maar het contracttype (regulier bij bbl, stage bij bol) maakt het verschil. Wie dit onderscheid scherp houdt, voorkomt de meest voorkomende rekenfout bij lerende doelgroepen. Onthoud daarom als ezelsbruggetje: bij bbl staat de B van 'baan' (arbeidsovereenkomst, contracttype regulier), bij bol is het altijd stage.

Submoduletoets

5 vragen

Start toets