LSR Werkruimte
RK
R. KamphuisAdmin
PSO-cursus
Zoeken...
RK

5.1 Kwalitatieve eisen

Leerdoelen

  • De kandidaat kan de kwalitatieve eisen voor de Aspirant-status (prestatie-eis 0.1 en 0.2) benoemen, inclusief de rol van het Plan van Aanpak en de SMART-doelstellingen op directieniveau.
  • De kandidaat kan de vijf kwalitatieve eisen voor de Basistrede en trede 1 t/m 3 (1.1 t/m 5.1) beschrijven en koppelen aan de bijbehorende prestatie-eisen.
  • De kandidaat kan uitleggen wat de 80%-regel voor functionerings- en ontwikkelgesprekken inhoudt en wanneer deze van toepassing is.

Waarom kwalitatieve eisen?

Voor een PSO-erkenning moet een organisatie naast de kwantitatieve criteria ook voldoen aan een aantal kwalitatieve eisen. Die eisen beschrijven wat minimaal geregeld moet zijn voor een goede arbeidsinpassing van personen met een kwetsbare arbeidsmarktpositie. Ze zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en vastgesteld in afstemming met stakeholders en ontwikkelpartners. Belangrijk uitgangspunt: de PSO maakt de prestaties van een organisatie inzichtelijk, maar borgt niet de wijze waarop die prestaties tot stand komen. De organisatie is dus vrij in haar aanpak. De enige uitzondering hierop vormen de kwalitatieve eisen voor de Aspirant-status.

De Aspirant-status: prestatie-eis 0.1 en 0.2

De Aspirant-status is bedoeld voor organisaties die (nog) niet aan de kwantitatieve norm voor minimaal de Basistrede voldoen, maar wel het voornemen hebben om dat binnen twee jaar te bereiken. Zij moeten aantonen dat ze een Plan van Aanpak hebben om minimaal de Basistrede te behalen en dat ze uitvoering geven aan dat plan.

Prestatie-eis 0.1 stelt dat het Plan van Aanpak met doelen en acties aan drie eisen moet voldoen:

1. De organisatie heeft inzicht in het eigen prestatieniveau en heeft op basis daarvan SMART-doelstellingen (specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch, tijdsgebonden) geformuleerd voor de beoogde directe en eventuele indirecte bijdrage, conform de norm van minimaal de Basistrede.

2. De organisatie heeft acties geformuleerd die betrekking hebben op: het creeren van draagvlak in de organisatie; de werving en selectie van mensen uit de PSO-doelgroep; het inzichtelijk maken van geschikte (eventueel aangepaste) functies, taken en werkzaamheden; en het ontwikkelen van kennis bij functionarissen over de doelgroep, subsidieregelingen en werkaanpassingen (of samenwerking met externe experts).

3. De acties zijn gekoppeld aan verantwoordelijke functionarissen en SMART geformuleerd, er is een eindverantwoordelijke aangewezen, en de SMART-doelstellingen om binnen twee jaar minimaal de Basistrede te behalen zijn geaccordeerd op bestuurlijk en/of directieniveau.

Bij een tweede aanvraag voor de Aspirant-status moet het Plan van Aanpak een reflectie bevatten op het vorige plan: welke doelen en acties zijn uitgevoerd, in hoeverre droegen die bij aan (het uitblijven van) de trede, een analyse van de oorzaken en welke aangepaste of nieuwe maatregelen worden getroffen. Het ontbreken van zo'n onderbouwde reflectie kan reden zijn de hercertificering van de Aspirant-status af te wijzen. Een Aspirant-status kan slechts eenmaal aansluitend worden verlengd. Een organisatie die al socialer onderneemt maar dat door ontbrekende bewijsvoering nog niet kan aantonen, kan eveneens de Aspirant-status aanvragen; de nadruk ligt dan op het op orde brengen van de administratie.

Prestatie-eis 0.2 vraagt dat de organisatie aantoonbaar de acties uit het Plan van Aanpak uitvoert om binnen twee jaar minimaal de Basistrede te behalen. Het gaat dus niet alleen om plannen, maar ook om aantoonbare uitvoering.

De vijf kwalitatieve eisen voor Basistrede en trede 1 t/m 3

Voor de Basistrede en de tredes 1 tot en met 3 gelden vijf kwalitatieve eisen. Het zijn minimale eisen die voor elke trede gelijk zijn. Waar 'medewerker' staat, wordt steeds de werkzame medewerker uit de PSO-doelgroep bedoeld.

  • 1.1 Bestuur en beleid: aanpakken, maatregelen en regels voor inclusie zijn vastgelegd in beleid en/of belegd bij functionarissen. De organisatie neemt minimaal 2 concrete maatregelen om inclusie te bevorderen (bijvoorbeeld een inclusieve visie actief uitdragen, een vertrouwenspersoon, onderdeel van de onboarding, informatiecampagnes). Verder hebben een of meer functionarissen kennis van de doelgroep, is het wervingsproces afgestemd op de doelgroep, is de werklocatie fysiek toegankelijk en kan de medewerker eventuele beperkingen actief communiceren (disclosure).
  • 2.1 Passend werk: de medewerker heeft een functie en taken die passen bij zijn of haar huidige mogelijkheden (niet te veel, niet te weinig uitdagend). Waar nodig zijn functie, werkplek of werkproces aangepast (maatwerk: werktempo, productie-eisen, taken, werktijden, uren, pauzeregeling, hulpmiddelen, meubilair).
  • 3.1 en 3.2 Inclusie: eis 3.1 vraagt een inclusieve cultuur waarin alle werknemers zich prettig, veilig en gewaardeerd voelen; de organisatie communiceert intern waarom mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt worden geplaatst en betrekt iedereen bij (in)formele activiteiten. Eis 3.2 vraagt dat de medewerker wordt betrokken bij en geinformeerd over zaken en ontwikkelingen in de organisatie, zo nodig afgestemd op de beperkingen.
  • 4.1 Functioneren en ontwikkeling: de organisatie is doelgericht bezig met functioneren en ontwikkeling. De medewerker wordt goed ingewerkt en functioneren en ontwikkeling (vakvaardigheden en persoonlijke ontwikkeling) worden periodiek besproken.
  • 5.1 Begeleiding: de organisatie heeft geregeld dat de medewerker deskundige begeleiding ontvangt voor zover nodig. Die begeleiding mag intern of door externen worden uitgevoerd.

De 80%-regel bij hercertificering

Bij prestatie-eis 4.1 geldt een bijzondere bewijslast. Bij hercertificering moet in ten minste 80% van de onderzochte personeelsdossiers aantoonbare verslaglegging aanwezig zijn (een verslag, registratie of notitie) waaruit blijkt dat zowel functioneren als ontwikkelingsmogelijkheden doelgericht zijn besproken. Het percentage wordt naar boven afgerond op hele getallen; meerdere ontbrekende bewijzen in een dossier tellen als een dossier dat niet voldoet. Een organisatie die voor de eerste keer een PSO-erkenning aanvraagt hoeft nog niet aan de 80%-norm te voldoen, maar moet wel aantonen dat zij vanaf de definitieve aanvraag aan de eis voldoet. Een aanvraag vanuit de Aspirant-status geldt als een 'nulde' aanvraag, zodat de 80%-eis bij de daaropvolgende eerste trede-audit nog niet geldt. Worden gesprekken niet door de organisatie zelf gevoerd (bijvoorbeeld bij detachering), dan moet zij bewijzen dat de gesprekken daadwerkelijk plaatsvinden, bijvoorbeeld via een driegesprek tussen medewerker, inlener en detacheerder.

Submoduletoets

5 vragen

Start toets